Alles wat ik niet begrijp

Alles wat ik niet begreep. En alles wat ik niet begrijp. In februari 2012 koos ik het als onderwerp voor de opening van ‘A Perfect Day’, een internationale tekenshow in de Westergasfabriek in Amsterdam. Het is een fantastisch onuitputtelijk onderwerp dat als een rode draad door mijn werk is blijven lopen.

Hieronder drie van de teksten die dat tot gevolg had.

In een beige wollen rok en een grijze trui van mohair stond ik aan een granieten aanrecht. Ik was een vrouw die rokjes droeg omdat de man met wie ze samen was, graag had dat ze rokjes droeg. Ik noemde die man mijn man omdat hij vriend niet serieus genoeg vond klinken. Toen hij me had gevraagd bij hem te komen wonen, had ik ‘ja’ gezegd. Ik was niet verliefd op hem. Mijn redenering was ongeveer als volgt: als ik verliefd op iemand ben, ga ik daar raar van doen. Ik vind het zo fijn dan, als die iemand bij me is, ik kan dat niet aan. Ik ga dan dingen doen en zeggen, die ik beter niet kan doen en zeggen. En luisteren lukt ook niet meer zo goed. Dan belt hij bijvoorbeeld om me te laten weten dat hij morgen voor een paar dagen met vrienden naar Marokko gaat, als dat tenminste wat mij betreft ok is, en dan zeg ik, voordat we ophangen:“Nou, veel plezier he, in Turkije.” De Poolse theatervernieuwer Grotowski schreef dat de beste houding voor een acteur passieve bereidheid is. Een acteur moet, om een goede acteur te zijn, niet te graag willen. Datzelfde geldt voor sollicitanten en geliefden. Voor elk baantje dat me niet interesseerde, en dat ik alleen maar wilde hebben omdat ik geld nodig had, werd ik aangenomen. Zelfs wanneer andere sollicitanten betere papieren hadden. Het meeste werk dat ik wel echt had gewild, was aan mijn neus voorbij gegaan. Door te gaan samenwonen met een man van wie ik niet hield, toonde ik mij passief bereid. Ik zou aangenaam gezelschap kunnen zijn. Ik zou geen vreemd paniekverliefd gedrag vertonen. Omdat ik niet graag wilde, juist daarom, zou er voor die man geen reden zijn mij te verlaten. En als hij dat wel zou doen, was het ook niet erg, ik hield toch niet van hem. De laatste keren dat ik aktief bereid geweest was, waren de aanbedenen niet lang bij mij gebleven. Ze hadden, vanwege mijn neurotische gedrag, gemaakt dat ze wegkwamen. Deze man zou bij me blijven. Er zou tijd zijn. Het houden van kon dan op een gegeven moment misschien vanzelf gaan plaats vinden; een nogal Oosterse benadering. In een beige wollen rok en een grijze trui van mohair stond ik aan een granieten aanrecht. De spoelbakken in het aanrecht waren vierkant. Dat is design. Het is onhandig, er blijft vuil achter in de hoeken. Opeens zag ik mezelf staan. En begreep ik het niet meer. En begreep niet dat ik het begrepen had. Ik wist dat er zulke vrouwen bestonden, maar had nooit gedacht dat ik zo’n vrouw was.

Geschreven voor A Perfect Day, februari 2012

Als ik een brief op de post deed, ging ik op mijn tenen staan. Dan kon ik bij de brievenbus. Een brief naar dichtbij moest aan de hofjeskant in de brievenbus, een brief naar ver weg aan de straatkant. In de brievenbus zat een machine. Die maakte van mijn brief een kokertje. Dat was nodig, anders zou mijn brief niet passen

in een van de twee holle buizen onder aan de brievenbus. Onder de grond liepen die buizen door. Ze leken op takken van bomen maar dan onder de grond, en van ijzer, en ze gingen veel verder. Mijn brief reisde door de takken samen met andere brieven. Alle brieven die mensen in alle brievenbussen in het land op de post deden, kwamen terecht in de buizen onder de grond.

Er kwamen steeds meer brieven bij. Een optocht van brieven. Op weg naar verschillende huizen dichtbij
en ver weg. Zo ging het. Maar waar kwamen die buizen weer boven de grond? In een huis waar postbodes woonden? En hoe werd het kokertje weer een brief?

Uit: voor altijd voor het laatst, 2015

Het is een zonnige woensdagochtend. Ik heb het plan opgevat naar het huis te wandelen waar Armando opgroeide. Een minuut of tien na vertrek sta ik op de Zuidsingel stil. Met Bakker Boersma in de rug kijk ik naar de achterkanten van de huizen op de Muurhuizen. Vroeger was dit de voorkant van de stadswal. Je kunt de boogvormen nog zien zitten en eruit opmaken hoe hoog die Middeleeuwse stadswal ongeveer was. Hoger dan ik dacht. In de lente had ik gekeken naar het eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, opnieuw opgebouwde stuk oude stadsmuur aan de Kamp. Ik was er zonder nadenken van uitgegaan dat deze reconstructie de oorspronkelijke hoogte had. Dat wat ik zag als twee druppels water leek op wat iemand in de Middeleeuwen had gezien. Niet dus.

Er is een verhaal van Pirandello waarin een man ontdekt dat zijn neus scheef staat. Via een fantastische, geestige, bladzijdelange gedachtegang belandt hij in een crisis. Hij heeft zijn hele leven met een scheve neus geleefd en dat ziet hij nu pas? Wat heeft hij allemaal nog meer niet opgemerkt? Was zijn bestaan een leugen?

De ontdekking dat de oorspronkelijke stadsmuur hoger was dan ik dacht, doet me niet in een crisis belanden. Wel in de gedachte dat wij nooit precies weten wat we zien. Nog geen millimeter steen of zand of water, of huid, of blad, lees ik hetzelfde als een ander. Omdat ik niet hetzelfde wéét. Wat ik zie is wat ik kán zien. Altijd oneindig veel minder dan wat ik niet kan zien. Tijdens de hele weg naar het huis van Armando blijft dit besef in mij aanwezig. Staand voor huizen in de Hendrik van Viandenstraat. Op kleine zwarte in de stoep aangebrachte tegels lees ik welke Joodse mensen hier in de oorlog woonden, wanneer en in welk concentratiekamp zij zijn vermoord. Welke leeftijd ze hadden. Hoe is het eigenlijk mogelijk dat ik hiertoe in staat ben: dit lezen en weer verder lopen?

Wanneer ik eindelijk voor Armando’s vroegere huis sta, kijk ik naar het dak van het buurhuis en denk aan de merel waarover hij schreef dat die jarenlang op dat dak heeft zitten fluiten. Ook toen het bericht kwam dat de zoon des huizes doodgeschoten was.

2017